Lager kiemgetal in biest verdient aandacht
De kwaliteit van jonge kalveren gaat met sprongen vooruit. Toch zijn er nog belangrijke aandachtspunten, constateert Herbert Bouwers, directeur van Alpuro Breeding: “We komen er steeds meer achter dat het kiemgetal in biest van grote invloed is op de opname van antistoffen.”
De laatste paar jaar is er veel aandacht voor de start van jonge kalveren. Zie je dat terug in de praktijk?
“Ik durf wel te stellen dat de kwaliteit van jonge kalveren enorm verbeterd is. In het verleden was het advies om jonge kalveren 4 liter melk per dag te geven met 120 gram melkpoeder per liter. Tegenwoordig geven melkveehouders 6 liter per dag met 150 gram melkpoeder per liter. Dat betekent geen 480 gram melkpoeder per dag, maar 900. Bijna tweemaal zoveel. Vergeet ook niet dat een kalf efficiënt omgaat met melk. Een kalf dat bijna 1 kg melkpoeder per dag krijgt, groeit de eerste twee weken ongeveer 700 gram per dag. Dat betekent een gewichtstoename van 10 kilo. Bij een lage melkpoedergift is de groei de helft. Dat kalf brengt dus gemiddeld 20 euro minder op.”
Zijn er nog andere voordelen als jonge kalveren harder gevoerd worden?
“Er wordt steeds meer bekend over epigenetica, de wetenshap die zich bezighoudt met markeringen op het DNA waarmee genen ‘aan’ en ‘uit’ gezet kunnen worden. Het blijkt dat bepaalde functionele lichaamscellen sneller delen als kalveren in hun eerste veertig levensdagen goed gevoerd worden. Organen, maar ook het uierweefsel, ontwikkelen zich beter waardoor deze kalveren beter presteren als ze volwassen zijn.”
'Er zit 700 liter melk verschil tussen vaarzen die in hun prille jeugd goed gegroeid zijn en vaarzen die op jonge leeftijd minder goed groeiden'
Heeft Alpuro Breeding hier ook onderzoek naar gedaan?
“Enkele jaren geleden hebben wij van vijftienhonderd kalveren de borstomvang gemeten op een leeftijd van drie maanden. Drie jaar later hebben we van deze dieren hun vaarzenlijst vergeleken met hun borstomvang op jonge leeftijd. Wat blijkt: er zit 700 liter melk verschil tussen vaarzen die in hun prille jeugd goed gegroeid zijn en vaarzen die op jonge leeftijd minder goed groeiden. Als je de groeipotentie van jonge dieren maximaal benut, geven ze meer melk en hebben ze een betere weerstand. Dit fenomeen is ook bekend uit oorlogen waarbij jonge kinderen ondervoed zijn geweest. Gemiddeld genomen zijn ze vatbaarder voor ziekten dan kinderen die in hun jeugd niets te kort gekomen zijn.”
Ook weerstand via de biest is belangrijk voor jonge kalveren. Wat zien jullie in de praktijk met betrekking tot de biestgift?
“De biestgift is de laatste jaren flink geëvolueerd. Ik schat dat ongeveer 30 procent van de melkveehouders de biestkwaliteit meet. Dat is een grote verandering met pakweg tien jaar geleden. Een kalf moet ongeveer 200 IgG aan antistoffen binnenkrijgen om de eerste weken weerstand te kunnen bieden aan ziektekiemen die op het melkveebedrijf voorkomen. Geeft de koe te weinig biest van goede kwaliteit? Dan kan kunstbiest bijgegeven worden. Minder goede biest kan ook een teken zijn dat bijvoorbeeld de droogstand niet in orde is. Het meten van de biestkwaliteit is dus ook een manier om in een vroeg stadium fouten in de voeding of het management van droogstaande koeien te constateren.”
‘Op de wat grotere bedrijven zien we steeds vaker een Coloquick’
Zijn er punten die melkveehouders nog kunnen verbeteren aan de biestgift?
“Dit is wel een interessant punt. We komen er steeds meer achter dat het kiemgetal in biest van grote invloed is op de opname van antistoffen. Vieze uiers, niet schone emmers of een minimelker die alleen met koud water wordt gespoeld: het zijn allemaal bronnen van kiemen die uiteindelijk de opname van antistoffen belemmeren. Hygiënisch werken is dus belangrijk om biest effectief zijn werk te laten doen. Op de wat grotere bedrijven zien we steeds vaker een Coloquick. Dit apparaat meet de antistoffen, pasteuriseert de melk en vriest deze in, in plastic zakken van 4 liter. Het kiemgetal is altijd laag en de antistoffen kunnen hun werk doen als het aan de kalveren gegeven wordt. Het apparaat kost zo’n 5.000 euro, best prijzig. Maar diegenen die het gebruiken zien grote verbeteringen.”
U heeft ook een uitgesproken mening over de huisvesting van kalveren.
“Ja dat klopt. Kalveren buiten huisvesten is zo belangrijk! Frisse lucht zonder ziektekiemen is het beste wat kalveren kan overkomen. Er zijn nog te veel bedompte stalletjes waar je al ruikt als je de deur open trekt dat er diarree onder de kalveren zit. Zet ze buiten in een iglo of groepshok op een schone, ontsmette en opgestrooide omgeving. Een lage infectiedruk is de start van een gezond leven. Ook het aantal eenlingboxen op een bedrijf zegt veel over de gezondheid van kalveren. Uit onderzoek blijkt dat bij 5 procent eenlingboxen ten opzichte van het aantal melkkoeien het uitvalspercentage 8 procent is. Bij 10 tot 15 procent is de sterfte gedaald naar gemiddeld 4,1 procent en bij meer dan 15 procent eenlingboxen is dat nog maar 2,9 procent. Deze bedrijven hebben een sanitaire leegstand: eenlingboxen staan een tijd leeg waardoor ziektekiemen uitdoven.”
Wat is een goede norm voor het aantal eenlingboxen?
“Wij houden 15 procent aan. Komt het zover dat de kalveren tot 28 dagen op het melkveebedrijf moeten blijven, dan stijgt dit naar 18 procent. Er moet dan ongeveer een kwart bij voor het extra aantal stiertjes op het bedrijf. De vraag is wel of de jonge stiertjes vier weken in een eenlingbox blijven. Ik zie in de toekomst twee strategieën ontstaan. De eerste strategie is om kalveren twee weken in een eenlingbox te huisvesten. Vervolgens wordt het tussenschotje er uit gehaald zodat de kalveren met z’n tweeën in een hok staan. Bij de tweede strategie gaan de kalveren na twee weken in de eenlingbox naar een groepshok waarbij ze melk krijgen uit een milkbar. Beide systemen zijn goed. Het is aan de melkveehouder om te kiezen voor een huisvesting die bij hem past.”
Lees ook
Meest gelezen
Agenda
-
Er zijn momenteel geen evenementen gepland



